Etty Hillesum

Voorstelling Etty Hillesum

Yentl Flavour neemt u mee in de denkwereld van Etty Hillesum aan de hand van een aantal van haar dagboekfragmenten. Deze worden afgewisseld met prachtige (met name Jiddische) liederen en instrumentale klanken. Naast onze vertrouwde viool en gitaren, brengen ook trommels, bekkens, fluit en woodblocs de teksten dichterbij.
Als afsluiting klinkt het ontroerende lied Song of songs uit de Mauthausen Cyclus van Mikis Theodorakis in een eigen Nederlandse vertaling.
De voorstelling duurt 70 minuten zonder pauze en wordt sinds vier jaar regelmatig gespeeld in de periode voor de 4e mei.

Etty Hillesum:
Zij schrijft haar dagboeken gedurende de bezettingsjaren. Ze is 26 jaar als de oorlog begint en woont op dat moment in Amsterdam.
Als Etty haar dagboeken begint, op zaterdag 9 maart 1941, is er een Joodse man in haar leven gekomen, de psychochiroloog Julius Spier, bij wie ze in behandeling gaat. Met hem bouwt zij een stormachtige relatie op, die gaandeweg spiritueler van aard wordt. Julius Spier heeft een grote invloed op Etty en op haar ontwikkeling.
Midden in een donkere grimmige wereld zoekt Etty naar orde in haar innerlijke chaos; worstelt ze zich een weg door onrust en somberheid naar innerlijke vrede.
En terwijl om haar heen de oorlog een steeds dwingender plaats inneemt, getuigen haar dagboeken steeds intenser van een reikhalzend verlangen naar het leven.

Ondanks de toenemende dreiging duikt Etty niet onder; maar gaat – weloverwogen – naar Westerbork, waar ze eerst werkzaam is bij de afdeling ‘sociale verzorging doortrekkenden’ en waar ze uiteindelijk kampbewoner wordt. Bij de grote razzia van 20 en 21 juni worden de ouders van Etty opgepakt en naar Westerbork gevoerd. Op 7 september 1943 wordt het gezin Hillesum gedeporteerd naar Auschwitz, waar Etty op 30 november is omgebracht. Ze is dan 29 jaar.
Achtergebleven zijn haar dagboeken, èn haar getuigenis van die diepe krachten, die in een mens zijn neergelegd. Zoals onderstaand dagboekfragment het zo treffend verwoordt:

‘Eén ding is wel zeker: men moet de voorraad liefde op deze aarde helpen vergroten. Ieder beetje haat dat men al aan het veel te vele haten toevoegt, maakt deze wereld onherbergzamer en onbewoon-baarder. En van die liefde heb ik veel, heel veel, zó veel, dat ze werkelijk al mee kan tellen en niet meer te weinig is […]’ 4 juli 1942